Rotterdam: wereldhaven zonder militaire aanwezigheid

1 Mrt

HybridWarriorNL

De Rotterdamse haven is in militaire termen een High-Pay Off target (” A target whose loss to the enemy will significantly contribute to the success of the friendly course of action “ ). In dit geval zijn de terroristen of kwaadwillende de eigen troepen. Een aanval of aanslag op de haven kan in verschillende vormen plaatsvinden. Een aanslag met explosieven is het meest waarschijnlijk. Het grote volume aan schepen dat ieder jaar door de haven in en uit vaart, 79 487 scheepsbewegingen in 2012 (excl. binnenvaartschepen), zorgt voor ruime keuze aan potentiële doelen.

Het aantal scheepsbewegingen heeft ook een ander mogelijk nadeel. Ieder schip kan wapens en kwaadwillende personen de haven en dus de stadsregio binnenbrengen. Het is een illusie om te denken dat terroristen alleen via lucht of land verplaatsen. Eenmaal in de haven en dus de stadsregio zijn de doelen voor het uitzoeken. Petrochemische industrie is worst…

View original post 432 woorden meer

Advertenties

DAAROM ROTTERDAM EN DE MARINIERS

31 Okt
Afbeelding

Als Nederlandse samenleving betalen we straks slechts één procent van wat we met z’n allen verdienen aan Defensie. Het Nederlandse defensiebudget ligt ver onder de afgesproken NAVO-norm en is laag voor een handelsland dat met haar economische belangen volledig afhankelijk is van internationale veiligheid. Eén procent wordt uitgegeven aan de veiligheidspolis van ons land. Slechts één procent, terwijl de beeldvorming overheerst dat onze krijgsmacht te duur is. Nederland heeft op dit moment een krijgsmacht die in geen verhouding meer staat tot haar positie als 18e economische natie en tweede rijkste land binnen de EU. Maar veiligheid en vrijheid zijn niet vanzelfsprekend, dat heeft de geschiedenis ons geleerd.

In Rotterdam weten ze dat als in geen andere Nederlandse stad. De voorgenomen sluiting van de Van Ghentkazerne in Rotterdam –  het opleidingscentrum van het Korps Mariniers – heeft voor veel roering in de Rijnmondregio gezorgd. Diverse acties passeerden de revue. Zo legden Rotterdammers massaal een bloemetje voor de oude poort van de Van Ghentkazerne, verschijnen in het Rotterdamse straatbeeld opvallend veel stickers met de tekst: “Marinier blijf hier!” en werd de Facebookpagina “Van Ghentkazerne moet blijven” binnen korte tijd 14.000 maal geliked. Ruim 12.000 mensen ondertekenden een petitie voor behoud van de kazerne. Op 28 oktober nam minister Jeanine Hennis-Plasschaert van Defensie deze petitie in ontvangst.

 Afbeelding

 

Gezien het immer tanende defensiebudget en de oplopende kosten van het Joint Strike Fighterprogramma is het onvermijdelijk dat er keuzes aangaande de inrichting van onze krijgsmacht worden gemaakt. Verminderende financiële middelen zorgen ervoor dat Defensie daardoor specifieker en specialistischer te werk zal moeten gaan. De belangrijkste vraag daarbij is: “Wat voor soort krijgsmacht moet Nederland ontwikkelen om de dreigingen van de toekomst te weerstaan?”

Hoe die visie ook uitvalt, diverse deskundigen zijn het erover eens dat voor onze toekomstige krijgsmacht een expeditionaire pijler met een maritieme component (vloot en Korps Mariniers) onontbeerlijk is om recht te doen aan de internationale belangen van ons Koninkrijk.

Mijn vader werd op 31 maart 1943 slachtoffer van ‘het vergeten bombardement van Rotterdam’. De schuilkelder, waarin hij samen met zijn voetbalvriendjes dekking zocht, werd vol getroffen. Er vielen tachtig doden. Mijn vader was één van de twee zwaar gewonden. Hij verloor al zijn vriendjes. Pas op zijn sterfbed sprak hij erover. Ik leerde van mijn ouders al jong dat leven in vrede en veiligheid geen vanzelfsprekendheid is. Ik kwam op voor anderen en wist al vroeg dat ik geen persoon voor de zijlijn was. Ik wilde mij gaan inzetten als militair, voor het hoogste goed van onze samenleving: vrijheid, onze democratische kernwaarden, en de morele component die besloten ligt in het beschermen daarvan. Hier en elders. Ik werd marinier, want de verhalen die mijn vader vertelde over de ‘Zwarte Duivels’ van de Maasbruggen maakten een diepe en onuitwisbare indruk op mij.

Waar de Ruyter eens moest sneven, waar een Tromp zijn roem behield, staan wij aan ’t begin van ’t leven, maar met hoop en moed bezield. Wordt nog eens in later dagen Neêrlands vlag ten strijd ontplooid, stervend zullen wij haar schragen, maar die vlag verlaten – nooit!

Zo zong ik als 20-jarige uit volle borst de eerste regels van het Adelborstenlied.

Wat nu als die vlag óns verlaat? Want dat is het gevoel dat steeds meer (oud-)mariniers bekruipt. Zijn we met bezuinigingen op Defensie door de bodem aan het zakken? Is Defensie al niet maximaal uitgeknepen, zoals oud Minister van Defensie Hans Hillen uit Rutte-I ooit opmerkte?

Dit jaar wordt ook de Koninklijke Marine opnieuw hard getroffen door de bezuinigingen. De Koninklijke Marine kost ons 0,26% van de totale Rijksbegroting. En het budget van de Koninklijke Marine krimpt verder. Bezuinigingen die wederom grote materiële- en personele gevolgen zullen hebben, terwijl de lopende reorganisatie nog niet eens volledig is doorgevoerd. De boekhouder heeft het ook dit jaar weer gewonnen van de ratio. Defensie is geen luxe volgens de minister. Maar feitelijk is dit wel zo, want ieder jaar wordt er een stukje verder ingeteerd op de luxe ‘veiligheid‘.

Het Korps Mariniers, de expeditionaire en landinwaarts slagkracht leverende infanterietak van de Koninklijke Marine, wordt hard getroffen door de bezuinigingen. Na de al eerder aangekondigde sluiting van de Van Braam Houckgeestkazerne te Doorn en het Marine Etablissement Amsterdam,worden nu ook de Joost Dourleinkazerne op Texel en de Van Ghentkazerne in Rotterdam gesloten.

De voorgenomen sluiting van de Van Ghentkazerne in Rotterdam is extra pijnlijk. Zowel voor de mariniers, als voor de bevolking van Rotterdam. Er is geen stad in Nederland waar de band tussen de bevolking en een krijgsmachtonderdeel zo historisch en hecht is als in Rotterdam. Al sinds de 17e eeuw bevindt zich daar een eenheid van het Korps Mariniers. Een eeuwenoude band die teruggaat tot het jaar 1665. De mariniers zitten diep in het DNA van de stad en haar bewoners.

 Afbeelding

“Opstaan. Gevechtstenue aan. Het is oorlog!”. Zo werden de honderden mariniers in de Rotterdamse marinierskazerne op vrijdagochtend 10 mei 1940 gewekt. Duitse vliegtuigen bombardeerden het vliegveld Waalhaven, en er landden parachutisten en watervliegtuigen op de Maas. Vliegensvlug bezetten de Duitsers de onbewaakte Willemsbrug en het Noordereiland midden in de Maas.

Omdat de regering tot het laatste moment geloofde dat Nederland neutraal zou blijven, waren de Nederlandse militairen totaal niet voorbereid op een oorlog. Ze schoten nog met uit 1895 stammende repeteergeweren en hadden maar een paar haperende mitrailleurs. Toch kregen de mariniers de brug onder schot vanuit een aantal strategische posities op de noordoever van de Maas. Onder andere vanuit het “Witte Huis”, Europa’s eerste wolkenkrabber die in 1897 was gebouwd. In hun zwarte uniformjas wisten ze de Duitse opmars te stuiten, tot verrassing van de vijand die hen omdoopte tot de “Zwarte Duivels”. Ondanks dat ze regelmatig met zware artillerie werden beschoten, hielden de mariniers de brug onder schot. Pas na het bombardement van 14 mei 1940 gaven ze zich over: Nederland staakte de strijd.

Op 5 juli 1963 werd door Prins Bernhard Het Mariniersmonument onthuld. Het oorlogsmonument aan het Oostplein in Rotterdam herdenkt en dankt de mariniers die in de meidagen van 1940 hard voor de stad hebben gestreden. Het staat aan het Oostplein, recht tegenover de plaats van de voormalige marinierskazerne die in de meidagen van 1940 werd weggebombardeerd.

Op 4 juli van dit jaar werd het 50-jarig bestaan van het mariniersmonument gevierd. Het is wel heel wrang dat nog geen drie maanden later de voorgenomen sluiting tijdens Prinsjesdag werd aangekondigd.

Is het in een tijd waarin de we de prijs van alles weten maar de waarde van niets, niet juist belangrijk om de wortels van de krijgsmacht in de samenleving te verdiepen en verbreden?

 Afbeelding

Het Korps is nadrukkelijk in Rotterdam aanwezig.

Iedere vijf jaar viert het Korps haar verjaardag met een indrukwekkend defilé op de Coolsingel.

Rotterdam is ‘de thuishaven’ van de Marinierskapel. Het jaarlijkse Korpsconcert in de Rotterdamse Doelen is wijd en zijd vermaard.

Bij de jaarlijkse Nationale Taptoe in de Ahoy-hallen speelt de Marinierskapel een eminente rol. Bij de spectaculaire streetparade pinkt menig Rotterdammer een traantje weg tijdens de passage van ‘hun’ kapel.

Het drukbezochte Mariniersmuseum is gevestigd naast het Witte Huis van Rotterdam. De kogelgaten in de muur van het Witte Huis zijn stille getuigen van het gevecht tussen de mariniers en de Duitsers op 10 mei 1940. De locatie symboliseert de hechte band tussen de stad en de mariniers.

Tijdens de Wereldhavendagen zorgen de mariniers jaarlijks voor het nodige spektakel. Voor jong en oud is het mariniersdorp die dagen één van de meest favoriete attracties.

Het Korps Mariniers herdenkt jaarlijks, samen met de Rotterdamse bevolking alle gevallen mariniers. Dit gebeurt met een militaire ceremonie en kranslegging bij het mariniersmonument aan het Oostplein.

Boven de Rotterdamse Blaak prijkt de bekende dichtregel van Lucebert “Alles van waarde is weerloos”. Ons elitekorps moet nu weerloos toezien hoe haar historische band met de stad wordt verbroken. Heeft het Korps voor Rotterdam geen waarde meer volgens de Haagse politiek?

Op de Leuvehaven vind je het indrukwekkende beeld “De verwoeste Stad” van de Russische beeldhouwer Ossip Zadkine. Naar verluidt raakte de beeldhouwer Ossip Zadkine geïnspireerd toen hij, kort na de oorlog, Rotterdam binnenreed per trein. Hij trof een kale vlakte waar oorspronkelijk het bloeiend stadshart te vinden was. Dat maakte diepe indruk op hem. Rotterdammers hebben naast het Korps Mariniers dit beeld in hun hart gesloten. Het kreeg de bijnaam ‘Jan Gat’ vanwege de doorboorde romp van het beeld.

Krijgt Rotterdam straks een tweede ‘Jan Gat’, gaan zij het Mariniersmonument ‘Jan Gat Twee’ noemen als ook de mariniers – na eeuwen – uit het hart van Rotterdam worden weggerukt? Wordt het beroemde beeld van Titus Leeser binnenkort ook doorboord?

De Koninklijke Marine trekt zich straks terug naar de uiterste grenzen van Nederland, naar Den Helder en Vlissingen. De filosofie hierachter is duidelijk: naar zee, clusteren en inbedden, zodat het Korps

Mariniers ‘blauw’ blijft. Het sluiten van de Van Ghentkazerne en Joost Dourleinkazerne, in combinatie met de al eerder aangekondigde sluiting van de Van Braam Houckgeestkazerne in Doorn, heeft één positief effect: de operationele eenheden (nu in Doorn), het Mariniersopleidingscentrum (nu in Rotterdam) en het amfibisch opleidingscentrum (nu op Texel) worden gevestigd in één stad. Vlissingen ligt bovendien aan zee, wat uiteraard relevant is voor amfibische troepen. De mariniers kunnen in Vlissingen direct aan boord van de twee amfibische transportschepen, en in de toekomst ook van het JSS, van de Koninklijke Marine. Ook het verplaatsen van de landingsvaartuigen en hun bemanning van Texel naar Vlissingen is in die optiek te begrijpen. Op het eerste gezicht lijkt Vlissingen daarnaast een goede oefenlocatie, echter de stranden in de buurt van Vlissingen blijken zich slecht te lenen voor amfibische operaties.

 Een evident nadeel van de locatie Vlissingen is dat het onvoldoende werkgelegenheid biedt voor de partners van het betrokken personeel. Het gevolg zal dan ook zijn dat de militair niet zal verhuizen en een ‘weekendhuwelijk’ aangaat. Een veelal ongewenste situatie, die niet zal bijdragen aan het behoud van het toch al schaarse (jonge) personeel en werving van nieuw personeel.

 Buiten het feit dat sluiting van de Rotterdamse marinierskazerne vanuit historisch en maatschappelijk perspectief schadelijk is, zijn er voldoende steekhoudende argumenten aan te dragen die vragen oproepen en het besluit op zijn minst doen wankelen.

 Uit ervaring is gebleken dat het niet handig is om grootschalige opleidings- en operationele eenheden in één kazerne te hebben. Het zorgt voortdurend voor verstoringen van processen. Opleidingen moeten bovendien in een veilige en geconditioneerde omgeving plaatsvinden. Daarvoor zijn kostbare aanpassingen nodig aan de infrastructuur. Ook bij de Luchtmobiele Brigade zijn daarom de opleidings- en operationele eenheden, weliswaar beide in Schaarsbergen, gescheiden. Dit brengt uiteraard hoge kosten met zich mee. Zijn daar de financiële middelen voor beschikbaar bij de bouw van een kazerne in Vlissingen?

 Waarschijnlijk is zelfs de business case over de voorgenomen sluiting wankel en kan ook hier de ingeboekte winst tegenvallen; iets om goed te bestuderen en door te berekenen. Wellicht kost de sluiting bij volledige doorberekening van alle facetten zelfs meer dan hij opbrengt. Want de Van Ghentkazerne kost nu in exploitatie nog geen vijf miljoen per jaar! Het gebouw is een Rijksmonument en zal ook na vertrek van de mariniers onderhouden moeten worden. Saillant detail: het gebouw werd juist afgelopen jaar voor 700.000 euro gerenoveerd. Ook de sportfaciliteiten zijn recent gemoderniseerd. Clustering in Vlissingen vraag om sportfaciliteiten met een zeer grote capaciteit. Zijn de kosten hiervan in het besluit begroot? 

 Hoe dan ook, de kosten om de Van Ghentkazerne te behouden zijn relatief laag. En aangezien de mens het belangrijkste kapitaal is van de marine, mag de organisatie hen best een anker gunnen in deze turbulente tijden. Zo zijn er vele praktische aspecten die nu nog niet zijn meegewogen en doorberekend in het besluit.

 Afbeelding

 Rotterdam is één van de belangrijkste havens van Europa en nummer vijf op de wereldranglijst. De haven is de toegangspoort tot een Europese markt van meer dan 350 miljoen consumenten en daarmee het logistieke hart van Noordwest-Europa. Rotterdam is één van de belangrijkste kruispunten van goederenstromen ter wereld. De overslag is jaarlijks zo’n 450 miljoen ton.

Rotterdam dankt zijn positie aan de uitstekende bereikbaarheid via zee, de achterlandverbindingen en de vele bedrijven en organisaties, die in en voor het haven- en industriegebied actief zijn. Het haven- en industrie gebied strekt zich uit over een lengte van circa 40 kilometer en meet circa 12.500 ha (inclusief Maasvlakte 2). De Rotterdamse haven is de aorta van onze economie.

 Is Rotterdam straks een wereldhaven zonder militair steunpunt?

De Rotterdamse haven is in militaire termen een High-Pay Off target. Een aanval of aanslag op de haven kan in verschillende vormen plaatsvinden. Het grote volume aan schepen dat ieder jaar door de haven in en uit vaart, 79.487 scheepsbewegingen in 2012 (exclusief binnenvaartschepen), zorgt voor ruime keuze aan potentiële doelen.

Het aantal scheepsbewegingen heeft ook een ander mogelijk nadeel. Ieder schip kan wapens en kwaadwillende personen de haven – en dus de stadsregio – binnenbrengen. Het is een illusie om te denken dat terroristen zich alleen via lucht of land verplaatsen. Eenmaal in de haven en dus in de stadsregio hebben zij de doelen voor het uitzoeken. Een aanslag op de petrochemische industrie is een worst case scenario, maar er zijn genoeg andere potentiële doelen; Winkelcentrum Zuidplein, het Feyenoordstadion en de Ahoy-hallen zijn locaties met hoge concentraties mensen.

 Een aanslag voorkomen is complex, maar militaire aanwezigheid schrikt op zijn minst af en biedt de mogelijkheid snel in actie te komen. Met de sluiting van de Van Ghentkazerne wordt Rotterdam een wereldhaven zonder militair steunpunt. Een zeldzaam gegeven, een blamerend internationaal unicum. Voor alle andere steden in de Top Tien geldt dit namelijk niet.

 Wat is het alternatief? Volgens diverse specialisten, maar ook al genoemd door bijvoorbeeld burgemeester Aboutaleb, zou uitbreiding van de Van Ghentkazerne richting de Nieuwe Maas meer logisch zijn in het tijdsbeeld, dan sluiting!

Het gebied ten Zuiden van de kazerne wordt nu gebruikt als schapenweide, er bevindt zich een klein park en de rest is braakliggend terrein van het naastgelegen Evides Drinkwaterbedrijf. Een locatie die overigens zeker niet zou misstaan op de doelenlijst van terroristen.

 Afbeelding

Een kazerne die direct aan de grootste waterweg van Nederland ligt heeft strategisch grote voordelen. Grotere marineschepen zoals Zr.Ms. Rotterdam en de Zr.Ms. Johan de Witt, en straks ook de Zr.Ms. Karel Doorman (het JSS), kunnen hier aanleggen en manschappen en materiaal embarkeren en debarkeren. Kleinere schepen, zoals de nieuwe patrouilleschepen van de marine, kunnen hier een semipermanente thuishaven krijgen. Ook zou het Korps hier een aantal van haar zeer snelle special forces schepen van het type FRISC een thuishaven kunnen geven. Deze schepen kunnen binnen no time alle uithoeken van de haven bereiken, hun tanden tonen en antiterreureenheden afzetten.

Vaartuigen van politie, douane, brandweer, kustwacht, Rijkswaterstaat, Port of Rotterdam en andere hulpdiensten kunnen hier veilig laden en lossen.

 In de Van Ghentkazerne is nu een RMT-eenheid van de Koninklijke Marine geplaatst. Deze goed getrainde Reservisten Militaire Taken worden vooral ingezet voor militaire bijstand en steunverlening in en rond Rotterdam, zoals bewaking en beveiliging, gastlandsteun, maar uiteraard ook voor ceremoniële taken. In tijden van spanningen en bij grootschalige calamiteiten kunnen zij bijstand verlenen. Bij de Wereldhavendagen spelen zij een grote rol op het gebied van beveiliging, demonstraties en presentaties. De marine heeft in totaal 3 RMT-eenheden; Nu nog zijn deze eenheden gestationeerd in Doorn, Den Helder en Rotterdam. De sterkte van een eenheid is 130 man. Ook deze nuttige en belangrijke eenheid zal Rotterdam moeten missen bij sluiting van de Van Ghentkazerne.

Met de vaste stationering van een antiterreureenheid (UIM – Unit Interventie Mariniers) van het Korps Mariniers in Rotterdam zou het strategische belang van de Van Ghentkazerne substantieel toenemen. Stationering in Rotterdam is logischer dan in Vlissingen vanwege de meer centrale ligging. De eenheid kan bij dreiging in en rond Rotterdam zeer snel ter plaatse zijn. Alle benodigde faciliteiten voor huisvesting van zo’n eenheid zijn in Rotterdam aanwezig. Het kazerneterrein kan dienen als helikopterlandingsplaats. In combinatie met de eerder genoemde FRISC’s kan de eenheid zich zeer snel over water verplaatsen. Snelle reactie is noodzakelijk als ‘kwetsbare installaties’ doelwit zijn van aanslagen. Bij ingezette actie in de haven is het militaire voortzettingsvermogen (het vermogen om langdurig troepen ter plekke op de been te houden) van de eenheid groter en minder complex bij stationering in Rotterdam, dan bij stationering in Vlissingen.

De kazerne heeft momenteel de capaciteit voor ongeveer 1000 personen. Dit kunnen 1000 militairen zijn, maar ook dienen als noodopvang met slaapgelegenheid voor 1000 burgers. Er zijn medische faciliteiten, een bedrijfsrestaurant en vele andere belangrijke voorzieningen. Voor militaire aanwezigheid is er natuurlijk een wapenkamer, munitiebunker en beveiligde landlijnen. Met het uitbreiden van de kazerne kan rekening worden gehouden met modulaire opbouw. Voor een tentenkamp of andere semipermanente legering is voldoende plaats op het terrein tussen de huidige kazerne en de Nieuwe Maas.

Het terrein kan ook andere eenheden van de krijgsmacht tijdelijk huisvesten na een ramp. Denk bijvoorbeeld aan de Genie om infrastructuur te herstellen, de Explosieven Opruimingsdienst of een CBRN-eenheid (Chemische, Biologische, Radiologische & Nucleaire eenheid) voor opvang na een aanslag met dergelijke wapens.

Speciale eenheden van de krijgsmacht en politie kunnen op de kazerne in een veilige omgeving operaties voorbereiden en vervolgens uitvoeren over de weg, door de lucht (helikopters) en nu zelfs over de rivier met vaartuigen van het Korps Mariniers. Rotterdamse hulpdiensten zouden het terrein kunnen gebruiken voor trainingen in samenwerking met Defensie.

Het Havenbedrijf Rotterdam, en de bedrijven die de Rotterdamse haven dagelijks gebruiken, hebben aanzienlijk belang bij een dergelijke visie. Samen met Defensie investeren in de marinierskazerne behoort tot de mogelijkheden. Ook burgemeester Aboutaleb heeft al aangegeven een duit in het zakje te willen doen. Met een soortgelijke constructie werd ooit de voorgenomen sluiting van Marine Vliegkamp De Kooy bij Den Helder ongedaan gemaakt.

Inmiddels heeft het bedrijfsleven – bij monde van Steven Lak, voorzitter van havenbelangenvereniging Deltalinqs, en Jos van der Vegt, voorzitter van de Kamer van Koophandel – van zich laten horen. Zij delen de bezorgdheid van burgemeester Aboutaleb en de Rotterdamse politiek en vinden het onbestaanbaar dat het mariniersbolwerk uit Rotterdam verdwijnt.

Met de recente bezuiniging zet Minister Hennis het defensiebudget op een historisch laag niveau. Nog lager dan in 1929, het jaar van de beurskrach in New York die ook voor Nederland de grote depressie inluidde. De werkloosheid liep flink op en de overheid bezuinigde over alle linies. Ook op defensie, ondanks dat daar al eerder in de jaren ‘20 een kaalslag had plaatsgevonden. Het leger moest inkrimpen en korten op uitrusting en verzorging. Het begin van de jaren dertig wordt door historici gezien als het dieptepunt voor de Nederlandse krijgsmacht. Gerekend ten opzichte van het Bruto Nationaal Product staat defensie er nu nog slechter voor (!).

Vrijdag 11 oktober hebben de coalitiepartners samen met D66, CU en SGP een akkoord getekend over de invulling van 6 miljard bezuinigingen. Het akkoord zorgt voor een verzachting op de bezuinigingen bij Defensie. Het gaat om 50 miljoen minder bezuinigingen in 2014 en structureel 90 miljoen minder bezuinigingen vanaf 2015. Arie Slob van de ChristenUnie meldde direct na bekendmaking van dit nieuws het volgende: “Ik had ook graag de Van Ghentkazerne open gehouden. Dat is in het begrotingsakkoord helaas niet gelukt. Wie weet komt er nog een nieuwe mogelijkheid. Wij blijven daar voor knokken.”

Op 25 oktober zond Minister Jeanine Hennis-Plasschaert van Defensie een brief naar de Tweede Kamer ter aanvulling op de defensienota ‘In het belang van Nederland’. Deze aanvulling is gedeeltelijk goed nieuws voor de Koninklijke Marine, er is nu een structureel bedrag van 115 miljoen waarmee de Koninklijke Marine in staat is om een aantal pijnlijke maatregelen te reduceren of zelfs geheel terug te draaien. De 32ste marinierscompagnie op Aruba en het JSS blijven daardoor behouden. Maar helaas wordt daarin het terugdraaien van de verplaatsing van de Van Ghentkazerne naar Vlissingen niet genoemd. Toch zou haar brief het begin van een kentering kunnen inluiden. De recente voorgangers van de minister hielden zich voornamelijk bezig met bezuinigen, verkopen en afstoten. Zij is de eerste Minister van Defensie in die recente lijn die zich – tegen alle stromen in – inzet om een weg omhoog te vinden voor de krijgsmacht. Ik hoop dat zij zich op die route bewust wordt van het grote belang van het behoud van een marinierskazerne in Rotterdam.   

Burgemeester Aboutaleb, het college en vrijwel alle Rotterdamse gemeenteraadsfracties zijn, deels achter de schermen, nog volop bezig om de Van Ghentkazerne voor Rotterdam te behouden.

Onlangs heeft VVD-defensiewoordvoerder in de Tweede Kamer, Ronald Vuijk, een bezoek gebracht aan de kazerne en aan de haven, om het belang van de aanwezigheid van de mariniers met eigen ogen te aanschouwen.

Inmiddels hebben havenbelangenvereniging Deltalinqs en de Kamer van Koophandel in een brief aan de Tweede Kamer laten weten groot belang aan het voorbestaan van de kazerne te hechten.

De vraag is of zij allen in synergie de Tweede Kamer en minister Jeanine Hennis-Plasschaert van Defensie kunnen overtuigen.

 Een oud-marinier en geboren Rotterdammer.

 Afbeelding

 

Geen #JSS Karel Doorman #STOM Wat zouden wij eigenlijk gaan doen met dat schip ?

17 Okt
  • STOM :

http://www.youtube.com/watch?v=KsvE7pfBn3I

  • JSS KAREL DOORMAN

http://www.youtube.com/watch?v=hhvf8zsPlW0

Afbeelding

Ship-To-Objective Maneuver (STOM )

Marine Corps forces have long provided a scalable, tailorable and expeditionary combined-arms option, enabling joint commanders to deal with a wide range of contingencies. For decades, however, Marine power projection has included a deliberate buildup of combat power ashore. This buildup required the establishment of a force beachhead, with relatively fixed fire support, logistics, and command and control positions located ashore. Only after naval forces fought ashore and established a beachhead would the MAGTF begin to focus its combat power on the Joint Force’s operational objective. A combination of naval initiatives in advanced , fires, and sustainment capabilities, leveraging substantially enhanced information connectivity, will enable future Marine forces to be employed in a dramatically different manner, making them an even more effective tool of national power.

Ship-to-Objective Maneuver (STOM) is a transformational tactical application of enduring naval capabilities for Operational Maneuver from the Sea (OMFTS) and exploits each of the enhanced capabilities described by Expeditionary Maneuver Warfare (EMW). Enabled by persistent, responsive, and dynamic sea bases, forward deployed in international waters, naval forces executing STOM will be able to project Marine Air-Ground Task Forces (MAGTFs) directly to critical operational objectives located deep inland, dislocating our adversaries both in space and in time. STOM includes combined arms penetration and exploitation operations from over the horizon by both air and surface means, with forces moving rapidly to operational objectives without stopping to seize, defend, and build up beachheads or landing zones.

STOM provides the Navy – Marine Corps Team with an enhanced sea-based forcible entry capability, optimized for the introduction of follow-on Air Force, Army and multinational forces. In combination with other joint forces, naval forces capable of operational maneuver and STOM can also provide the Joint Force Commander with Operational Maneuver Elements (OMEs), ideal for creating dilemmas for adversaries during sustained operations ashore. Because naval forces able to conduct STOM will be able project power more swiftly than ever before, they will be able to not only “kick down the door” that the enemy’s defense’s present, they will also be able to “get a foot in the door”, and preclude him from effectively integrating his anti-access defenses as crises threaten.

Ship-to-objective maneuver (STOM) is the tactic that provides the joint force commander (JFC) with the capability to employ the Marine air-ground task force (MAGTF) in an exponentially more efficient and potent manner, with the leverage and to achieve operational objectives across a broad range of operations. Current amphibious doctrine relies on attrition warfare and the philosophy of amphibious lodgment. The traditional phases and sequences involved in securing a beachhead often negate any advantage gained by maneuver at sea. STOM exploits emerging technology to employ the concepts of maneuver warfare, projecting the power of a combined arms force by air and surface means directly against operational objectives. STOM tactics focus on the principles of maneuver and sea-basing. Force structure and technology serve as enablers of STOW tactics and doctrine. The real power of STOW lies in the strength of the concept and the application of STOW principles.

The Marine Corps Concept Operational Maneuver From The Sea (OMFTS) was signed by the Commandant of the Marine Corps in January 1996. The follow-on concept of Ship-To-Objective Maneuver (STOM) was signed in July 1997. This concept of operations (CONOPS), begun in February 1999, was developed as a first step in defining the parameters of these concepts and other companion concepts. It also began the process of validating mission requirements for a STOM capable force.

STOM surface assault will utilize all of the lighterage available within the ATF/MPF(F) in order to maximize the rapid build-up of combat power ashore from the sea base. LCACs are capable platforms, but lack a heavy lift capability. The LCU(X), that will provide heavy lift, is still in the initial stage of development. The Navy and Marine Corps should work to develop a family of future lighterage that can provide the interface between the various platforms (MPF(F) and ATF) of the Task Force.

The surface battlespace begins 25 nautical miles over the horizon (OTH) and extends inland for another 175 nm for a total of 200 nautical miles. The advent of the MV-22 and the AAAV allows the MAGTF to operate at much greater distances from shore. However, in the case of the AAAV, the ratio of sea time to land time affects sustainment planning.

Afbeelding

‘Behoud Karel Doorman voor de marine ‘

17 Okt

BRON: RTV N-H

‘Behoud Karel Doorman voor de marine’
17 okt 2013 07:25
Marineschip Johan de witt
DEN HELDER Het ministerie van Defensie moet via internationale samenwerking proberen het logistieke ondersteuningsschip Karel Doorman voor de marine te behouden.

Dat stelt Wassila Hachchi van D66 in de Tweede Kamer voor aan minister Jeanine Hennis-Plasschaert van Defensie.

In de recent gepubliceerde toekomstvisie wordt het schip, dat nog in aanbouw is, wegbezuinigd. Hachchi ziet mogelijkheden om de Karel Doorman in samenwerking met andere NAVO-bondgenoten te behouden. Ze heeft hierover al contact gehad met collega-parlementariërs van enkele NAVO-landen. “Het is wat mij betreft aan de minister om verder onderzoek te doen en creatief na te denken. Het simpel schrappen is te makkelijk gedacht en levert te weinig op”, meent Hachchi.

Als de Karel Doorman wordt verkocht zodra het klaar is, moet Defensie er 250 miljoen op afschrijven. Het moet uiteindelijk een jaarlijkse besparing van 20 miljoen opleveren. Defensie is wel van plan een kleiner ondersteuningsschip te laten bouwen. Hachchi vreest ‘dat Hennis deze beslissing heeft genomen als boekhouder en dat het niet een strategische keuze is’.

 

Admiraliteitslezing Balkenende: Marine levert klasseproduct

16 Okt

16 oktober 2013

“Mede dankzij de Koninklijke Marine heeft ons land zich in de maritieme wereld weer goed op de kaart gezet. Een prachtig staaltje innovatie van topkwaliteit zijn de nieuwe patrouilleschepen. Het verbaast mij niets dat er vanuit het buitenland zoveel belangstelling is voor dit Hollandse klasseproduct.

Dat zei oud-premier Jan Peter Balkenende vanmiddag tijdens de 2-jaarlijkse Admiraliteitslezing in Amsterdam. De positie van Nederland in de wereld en de rol die de marine daarin al 525 jaar speelt, vormden het thema van de lezing. De titel was ‘Het maritieme DNA – de duurzame kracht van Nederland’.

Balkenende haalde daarbij zijn voorganger en marine-officier Piet de Jong, 98 jaar oud inmiddels, enkele keren aan. “Iemand die niet alleen de Koninklijke Marine en Defensie kent, maar ook het premierschap van binnenuit kent. Ik zie hem vandaag als een verbindende schakel tussen u en mij.

Antipiraterij 

Zelf heeft de voormalig minister-president nooit de ambitie gehad om bij de marine te gaan, zo bekende hij. “Hoezeer ik altijd bewondering heb gehad voor de zeevarende helden uit onze vaderlandse geschiedenis.” 

Hij betoogde dat Nederlandse marine op de wereldzeeën niet aan belang heeft ingeboet. “Ook op het water bestaan bedreigingen. In 2011 kostte de Somalische piraterij zo’n 7 miljard dollar. De antipiraterijmissies van de NAVO en de Europese Unie, waaraan ook de Koninklijke Marine een bijdrage levert, zijn dan ook geen overbodige luxe. Het feit dat de Nederlandse marine in 2012 in totaal 34 piraten heeft aangehouden tegen wie vervolging is ingesteld, vervult mij eerlijk gezegd met trots.

Innovatief 

Hij vindt het dan ook indrukwekkend dat de marine ondanks de reorganisaties van de laatste jaren zo blijft presteren. “Door de jaren heen zijn de militairen, van hoog tot laag, altijd met waardigheid en loyaliteit omgegaan met de budgettaire werkelijkheid waarmee ze werden geconfronteerd. Dit maakte de kleiner wordende organisatie inventief en innovatief. Zonder daarbij concessies te doen aan de kwaliteit.

Vraagstukken 

De Koninklijke Marine organiseert om het jaar de Admiraalslezing. Daarbij belicht een spreker de maritieme dimensie van wereldpolitieke vraagstukken vanuit historisch, politiek, militair, technologisch, filosofisch of cultureel perspectief.

 

CDS Lezing te Groningen

16 Okt

Bron: Defensiewebblog

Defensie weblog 

woensdag 16 oktober 2013 

CDS: defensie-uitgaven dalen naar 1% bbp 

Lezing van de Commandant der Strijdkrachten, Generaal T.A. Middendorp, ter gelegenheid van de bijeenkomst van de Studenten Organisatie Groningen op 15 oktober 2013, te Groningen.

Niet zo heel lang geleden was ik bij de moeder van Azdin Chadli op bezoek. Misschien zegt de naam jullie iets.

Sld 1 Azdin Chadli

Azdin Chadli is een soldaat die in 2009 in Uruzgan sneuvelde omdat een raket op ons kamp insloeg. Ik was toen commandant in Uruzgan. En ik zag het voor mijn ogen gebeuren. Ik kwam net de hoek omlopen en zag het inkomende vuur. Ik hoorde een enorme knal en de aarde schudde. Zelf had ik niets, maar ik zag wel direct de gewonden. De raket was ingeslagen op wat wij de ‘natte groep’ noemen, de douchecontainers.

Op dat moment stond iemand daar te douchen maar de raket ging door de container heen en kwam terecht op het gangpad ernaast. Daar stond een groep jongens. Ze werden vol getroffen. Een aantal van hen raakte gewond. Azdin Chadli sneuvelde. Hij was toen twintig jaar oud. Waarom vertel ik jullie dit?

Azdin Chadli was een jongen die opkwam voor anderen. Hij was een jongen die zich in wilde zetten voor vrede en veiligheid. Hij ging omdat de politiek de krijgsmacht de opdracht gaf, om te gaan. Azdin Chadli, was militair. En militair zijn, is iets bijzonders. Militairen zijn de zwaardmacht van de overheid. Wij zijn de basisverzekering van de maatschappij.

Wij zijn één van de weinige diensten die je niet kan uitbesteden. Want gelukkig is het in ons land zo geregeld dat niet iedereen met een geweer mag rondlopen, of in een bewapende F‐16 mag vliegen. De krijgsmacht, en alleen de krijgsmacht, mag in ons land zware wapens ter hand nemen en geweld toepassen.

Onze opdracht is ook heel helder vastgelegd in de Nederlandse Grondwet: Verdedig het Nederlands grondgebied, onze Nederlandse belangen en het grondgebied van onze bondgenoten. Draag bij aan de internationale rechtsorde en aan stabiliteit. En help politie, brandweer en steden, in Nederland en daarbuiten, als de nood aan de man is.

Deze opdracht vereist dat de militair een teamspeler is die het algemeen belang van een missie boven het eigenbelang stelt. Deze opdracht vereist ook dat militairen blindelings op elkaar moeten kunnen vertrouwen, want als de ‘going gets tough’ kan dat tot het verlies van mensenlevens leiden.

Voor sommigen van jullie klinkt dit misschien wat dramatisch en vergezocht. Maar dit is wel de militaire werkelijkheid. Dat mag niet onderschat worden. Zeker nu we zien dat de krijgsmacht meer dan ooit wordt ingezet voor een veelheid aan missies. Missies die allemaal onvoorspelbaar zijn, omdat de wereld om ons heen, onvoorspelbaar is.

Ik wil jullie een filmpje laten zien om dat te illustreren. [Animatiefilmpje ‐ “Don’t stop thinking about tomorrow” ‐ Strategische Verkenningen] Dit filmpje hoort bij de Strategische Verkenningen, een onderzoek uitgevoerd door de Nederlandse regering in 2010. Sommige ontwikkelingen zijn daarom achterhaald. Zo zijn we nu niet meer de 16e economie ter wereld, maar de 17e, en Osama Bin Laden is uitgeschakeld. Toch is het filmpje nog wel actueel.

We leven in een wereld waarin dreigingen niet gebonden zijn aan grenzen. In deze wereld kunnen hackers in het buitenland, door middel van een cyberaanval, ons elektriciteitsnetwerk platleggen. Dat betekent: Geen treinen, geen verlichting, geen telefoons, geen verkeerslichten, geen alarmsystemen.

Op straat geldt dan, in het ergste geval, het recht van de sterkste. In deze wereld kan ook een groot schip, met vloeibaar gas aan boord, gekaapt worden door terroristen. Het vaart dan misschien in hoog tempo richting de Rotterdamse haven. Als het tot een ontploffing komt, staan vele mensenlevens op het spel.

En in deze gemondialiseerde wereld, kunnen piraten voor de kust van Somalië, onze economie direct raken. Zij kapen onze handelsschepen die goederen vervoeren waar wij van afhankelijk zijn. Zoals voedsel, kleding en brandstof. Ze kapen ook schepen die spullen vervoeren die wij graag betaalbaar houden: zoals televisies, mobiele telefoons en computers. Dat betekent dat het leven voor ons hier stukken duurder wordt als we piraterij ver weg op zee, niet indammen.

Los nog van het menselijk leed dat wordt aangericht als opvarenden gegijzeld worden. In Nederland houden we de internationale ontwikkelingen daarom goed in de gaten. Dat moet wel. We zijn misschien een klein landje op die hele grote wereldkaart, maar we zijn wel een welvarend handelsland. Een land van exporteurs, investeerders en ondernemers.

Onze belangen liggen daarom een groot deel in het buitenland. Joseph Luns, diplomaat en minister van Buitenlandse Zaken, zei niet voor niets: “Het voordeel van een klein land is dat het relatief veel buitenland heeft”. In het buitenland verdienen we ons geld! Daarom staan we negende op de welvaartslijst. Daarom zijn we de 17e economie van de wereld, en de 8e exporteur ter wereld. Dat zijn hoge posities.

Maar als je zo hoog op de lijsten staat, en je profiteert van wat er in de wereld gebeurt, moet je ook je verantwoordelijkheid nemen. 3 Zo kijken andere landen ook naar ons. Zij vinden dat je dan moet bijdragen om problemen in de wereld op te lossen.

Maar hoe doe je dat? Hoe beschermen we onze belangen? Hoe handhaven we de internationale rechtsorde? Nederland kan natuurlijk diplomatieke en economische middelen inzetten. Maar soms is dat niet voldoende. Dan moet je als land je woorden kracht bij zetten, een stok achter de deur hebben.

Zoals president Roosevelt al zei: “Speak softly and carry a big stick…, you will go far. Een land kon volgens Roosevelt alleen diplomatiek succesvol zijn als het ook over militaire macht beschikt, de ‘big stick’. Want dan heb je altijd nog een troef achter de hand voor het geval het mis gaat. En vriend en vijand weten dat…

Wij, de krijgsmacht, zijn die troef voor ons land, wij zijn die stok achter de deur. De krijgsmacht kan onze handelsroutes en onze koopvaardij beschermen. De krijgsmacht kan bijdragen aan stabiliteit in instabiele regio’s. En de krijgsmacht kan andere landen helpen om hun politie‐ en veiligheidsdiensten op te bouwen. Zodat de bewoners van dat land bescherming krijgen, en zelf een toekomst op kunnen bouwen.

‘Wanneer’ we op missie gaan en ‘waar’, daar beslist de krijgsmacht niet over. Dat is aan de politiek. Maar ik adviseer onze minister wel, en waar nodig het hele kabinet. Iedere ochtend om tien uur ’s ochtends praat ik onze minister bij.

Ook op internationaal niveau wordt veel overleg gevoerd. Zo ga ik minimaal drie keer per jaar naar het NAVO‐hoofdkwartier in Brussel. Daar komen alle 28 NAVO‐defensiebazen, of hun afgevaardigden, bijeen. We discussiëren, overleggen en handelen naar aanleiding van militair belangrijke zaken. Alle huidige missies lopen we af.

Ook internationale samenwerking staat op onze agenda. Dat is absoluut een gebied waar we verdere stappen in kunnen én moeten maken. Zeker nu in veel landen wordt bezuinigd op de krijgsmacht. Wij kunnen geen missies uitvoeren zonder partners.

Voor specifieke capaciteiten zijn we van elkaar afhankelijk. Nederland heeft geen satellieten, Nederland heeft geen tanks, Nederland heeft geen patrouillevliegtuigen. Maar Nederland heeft wel raketverdedigingssystemen, dat zijn de Patriots die nu in Turkije aan de grens van Syrië staan.

Per missie wordt er dan ook gekeken naar wie wat kan leveren. Een belangrijk aspect hierbij is de evenredigheid van de militaire bijdrage. Het moet voor alle betrokken partijen aantrekkelijk zijn om samen te werken. We kunnen niet zeggen: Nederland doet dit of dat niet meer, en rekent daarvoor dan op Europa via internationale samenwerking.

Het is niet alleen maar nemen, maar ook geven. In het NAVO‐hoofdkwartier kijken we daarom naar: “Hoe kunnen we nog beter samenwerken?”… …“Hoe kunnen we taken en capaciteiten verdelen?” “Hoe kunnen we onze eigen landen en het NAVO‐grondgebied blijven beschermen?” Wat in Brussel besproken wordt, wordt ook weer in eigen land teruggekoppeld.

Dat doen we bijvoorbeeld tijdens de wekelijkse bijeenkomst van de Stuurgroep Militaire Operaties. Hoge ambtenaren van Defensie, Buitenlandse Zaken, Algemene Zaken, Veiligheid en Justitie en Ontwikkelingssamenwerking komen dan bijeen, en bespreken de actuele crisis in de wereld. De ene week bespreken we dat bij Defensie, de andere week bij Buitenlandse Zaken. Zo is niemand de baas.

Samen kijken we naar actuele dreigingen en gaan na: ‘Wat staat er op het spel voor Nederland?’ ‘Hoe moeten we reageren?’ ‘Wat voor rol kunnen we spelen?’ Omdat we dit wekelijks doen, waarborgen we dat we geïntegreerd naar problemen blijven kijken. Als de regering meent dat het een nationaal belang is om internationaal op te treden komen militairen in actie.

Ik wil jullie graag een kort filmpje laten zien waarin onze grondwettelijke taken aan bod komen, om meteen enkele missies te tonen.

Ook krijgen jullie zo een korte impressie van wat wij doen aan de veiligheid in eigen land. Want eenderde van mijn mensen houdt zich bezig met nationale taken! Dat weten niet veel mensen. Jullie zagen onze politie‐trainingsmissie in Kunduz net voorbijkomen. Deze is inmiddels ten einde. En ik kan jullie vertellen, het was geen eenvoudige missie.

Missies zijn lastige politieke besluiten, maar eenmaal genomen is het wel van belang achter de mensen te staan die de missie uitvoeren. Bovendien is het belangrijk het waarom van de missie voor ogen te houden: Afghanistan mag nooit meer een broeinest van terrorisme worden zoals het was voor 2001.

We hebben zeker niet alles opgelost, maar we hebben de Afghanen een kickstart gegeven een goede kans om niet terug te vallen in chaos en onderdrukking. De Afghaanse mensen hebben geproefd van democratie, van scholing en van ontwikkeling. Deze mensen willen niet terug naar het verleden, ze willen vooruit!

Neem Afghanistan 1400, één van de meest actieve politieke jongerengroeperingen van het land. Honderden Afghaanse jongeren met verschillende etniciteit hebben zich in deze groep verenigd. Zij willen dat meer jongeren deel gaan nemen aan de politieke, sociale en economische ontwikkeling van Afghanistan. Hun motto? `Ons land, onze verantwoordelijkheid!´. Dat stemt mij hoopvol.

Natuurlijk is er nog een lange weg te gaan. Veiligheid en ontwikkeling realiseer je niet in een paar jaar. Daarom laten we Afghanistan ook niet in de steek. Zowel in Afghanistan als elders in de wereld waar het niet veilig en stabiel is, blijven wij ons inzetten voor vrede en veiligheid.

Zo zijn onze militairen op dit moment actief op zeventien plaatsen in de wereld. Van de Golf van Aden tot Kosovo, en van Bahrein tot Burundi. Dit zijn niet alleen vechtmissies. Integendeel. Het zijn ook stabilisatiemissies en preventiemissies. Waarbij we andere landen lokaal helpen op eigen benen te staan. Want met alleen militaire kracht neem je niet zomaar de voedingsbodem weg voor conflicten.

Daarom hanteren we bij ons buitenlands beleid een geïntegreerde benadering van veiligheidsproblemen, de Comprehensive Approach. Daarin komt ook de zogenoemde 3D‐benadering aan bod. Hierin staan Diplomatie, Defensie en wederopbouw (Development) centraal. Jullie hebben er vast over gehoord of gelezen.

De 3D‐benadering vereist dat je dieper doordenkt over vragen als: “Waarom krijgt de Taliban voet aan de grond in een Afghaanse regio?” “Wat zijn de oorzaken van de spanningen”. “Hoe lopen de lijntjes in dit dorp, wat zijn de familierelaties, wie heeft de informele macht?” Het is goed om zulke vragen te stellen en de antwoorden te hebben voordat je ingrijpt.

Ik zal jullie een voorbeeld geven. Onze militairen hebben zich in 2007 ingezet in Chora, een district in Afghanistan. Daar hebben we heel intensief gevochten. Het was voor Nederland de grootste gevechtsoperatie sinds decennia. De gevechten hebben we gewonnen.

Maar het winnen van de slag bood geen garantie voor het veiliger maken van het gebied. Het probleem werd pas opgelost toen we achter de dieperliggende oorzaak van de spanningen kwamen: water. De verdeling van schaars water was de bron van vele lokale spanningen. En het bood de Taliban de gelegenheid voet aan de grond te krijgen. Een speciaal team van militairen en deskundigen van Buitenlandse Zaken bemiddelen daarom in een oplossing. Waterputten werden geslagen en het water werd verdeeld zodat iedereen tevreden was.

Anderhalf jaar later kon ik, met minimale bescherming, samen met onze huidige koning door de hoofdstraat van Chora wandelen. Zo stabiel was de situatie daar geworden! Militairen moeten dus vechten en winnen waar nodig. Maar het gaat vooral om het creëren van situaties die toekomst hebben. Winnen zonder strijd als het kan. Dáár draait het om.

De Chinese filosoof Sun Tzu schreef het 2500 jaar geleden al. Zijn boek The Art of War, de kunst van het oorlogvoeren, heeft mij altijd geïntrigeerd en ik kan het jullie allemaal aanraden. Dit boek laat zien dat ons werk om meer gaat dan het uitvoeren van handboeken en doctrines. Maar ik wil het niet mooier maken dan het is.

Het militaire vak is geen walk in the park. Mijn militairen kunnen allemaal voor duivelse dilemma´s komen te staan. Want het is niet altijd een keuze tussen goed of fout. En het effect van de keuze die je als militair maakt, is niet altijd voorspelbaar. Militairen hebben ook niet altijd de tijd om daar langdurig over na te denken. En soms moeten zij kiezen tussen kwaad of erger.

In zo’n geval moet je op jezelf willen én kunnen vertrouwen. Dicht bij jezelf blijven om een goede beslissing te nemen. En durven te vertrouwen op het ethische kompas dat je tijdens de militaire opleiding hebt ontwikkeld. Neem onze militairen van de marechaussee, die in Zuid‐Soedan voor een VN‐missie assisteren bij het ontwikkelen van een eigen goed werkende politie. Deze militairen hebben de opdracht zich niet te bemoeien met lokale aangelegenheden.

Maar op een dag kwam een vrouwelijke opperwachtmeester bij de politiepost. Zij trof in een cel mannen en vrouwen aan, waaronder een moeder met een pasgeboren kind. In dezelfde cel zat ook de vermoedelijke verkrachter van de moeder. In Soedan was het namelijk gebruikelijk om het bewijs van één zaak bij elkaar te houden, dus mensen die bij één zaak betrokken zijn worden in dezelfde cel gezet.

Maar de moeder was opgesloten zonder procedure, en zonder juridische bijstand. Ook was er geen deken, geen muskietennet en geen eten voor de baby. Daar werd niet in voorzien, want in Soedan is het gebruikelijk dat de familie daar voor zorgt. Maar wat doe je als de familie op twee dagen loopafstand woont? In dit geval kwam de familie daarom niet opdagen. Het raakte de opperwachtmeester van de marechaussee.

Dit is wat zij zei, en ik citeer nu uit het interview dat zij had met Michelle Schut die momenteel op dit onderwerp promoveert: “Van binnen kook je, maar van buiten reageer ik heel neutraal”. “Daar heb ik wel slapeloze nachten van.” “Je denkt verdorie, dat kan toch niet.”

De militair wist dat als zij actie ondernam dit op gespannen voet zou staan met de militaire opdracht en met haar mandaat. Zij mocht zich niet bemoeien met de lokale aangelegenheden. Maar moet je dan als mens lijdzaam toekijken? Het zijn keuzes waar iedere militair voor kan komen te staan.

En als dat gebeurt moet je zelf een afweging kunnen maken. Je moet op jezelf willen, en kunnen vertrouwen. Dicht bij jezelf blijven om een goede beslissing te maken. De opperwachtmeester besloot om de dialoog met de Soedanese politie aan te gaan. Ze vroeg hoe het kan dat mannen en vrouwen in één cel zitten.

Ook probeerde ze het terug te koppelen naar hun eigen cultuur. “Jullie zijn moslim, jullie bidden toch ook apart?”, vroeg ze hen. “Waarom dan wel mannen en vrouwen in één cel zetten?”. Tot slot klopte de militair nog aan bij de Verenigde Naties. Een juridisch adviseur van de VN heeft er toen werk van gemaakt. Uiteindelijk werd de Soedanese vrouw vrijgelaten.

Twee jaar later kwam de opperwachtmeester nog eens terug bij de politiepost tijdens haar tweede uitzending. Enthousiast werd ze door de Soedanezen meegenomen. Ze lieten haar zien dat ze cellen erbij hadden gebouwd. Er was nu een aparte cel voor mannen, vrouwen, kinderen én beesten. Zo kan het dus ook.

En hieruit blijkt dat een situatie soms niet vastligt in voorschriften, in handboeken of eerdere ervaringen. In dat geval moet een militair vertrouwen op het morele besef. Wat voelt goed? Wat vind ik op dat moment het belangrijkste? En wat kan ik verantwoorden?

De opperwachtmeester vertrouwde op haar morele besef. Zij bleef dicht bij zichzelf en handelde naar eer en geweten. Maar zij bleef ook het lokale perspectief en haar mandaat voor ogen houden. Jullie horen het al, er komt veel kijken bij ‘militair zijn’.

We stellen daarom ook hoge eisen aan onze militaire leiders. Ik heb officieren, nodig die zowel leider, krijger als diplomaat kunnen zijn. Ik heb officieren nodig met creatief vermogen, academische denkniveau, ‘cultural awareness’, sociale vaardigheden en het bestuurlijk en operationeel lef om de huidige complexiteit aan te kunnen.

Een jonge luitenant van 23 jaar oud moet leiding kunnen geven aan een peloton van 40 korporaals en soldaten. En hij of zij moet tegelijkertijd de lokale complexiteit begrijpen en daarmee om kunnen gaan, snel kunnen schakelen, ook in de meest gevaarlijke omstandigheden en zich realiseren dat alles wat je doet, onder een vergrootglas kan komen te liggen.

Ik zal een voorbeeld geven. In Afghanistan hebben we een keer een huis doorzocht met een hond die drugs of explosieven op kan sporen. Eén van de Afghanen in het huis dacht dat de hond aan de Koran had gesnuffeld. Het leidde tot heftige emoties. Binnen een paar uur belde president Karzai naar de gouverneur van de provincie en vroeg: “Wat is er in Uruzgan aan de hand?”.

Het had weinig gescheeld of het had de internationale pers gehaald. Zo zie je maar, hoe een ogenschijnlijk klein incident een hele missie op zijn kop kan zetten. Daar moet je als militair leider op voorbereid zijn. En daar moet je mee om kunnen gaan. En nu werken onze jongens en meiden ook nog eens voor een organisatie waar ingrijpende maatregelen worden genomen.

Er is in 2011 een miljard bezuinigd op Defensie. En ook nu gaan we voor een kleine 350 miljoen ombuigen.
In 2009 werd nog 8.6 miljard euro aan Defensie uitgegeven. Dit jaar kwam dat bedrag uit op 7.2 miljard. Dat zien jullie ook op de afbeelding achter mij. Dat kleine koffertje rechts is Defensie.. Maar je kunt niet blijven kaasschaven, wat we nu al 22 jaar hebben gedaan.

Ik heb de minister de strategische keuzes voorgelegd. Dat betekent dat we minder missies kunnen doen, en die ook minder lang kunnen volhouden. Maar ik heb geen keuzes gemaakt in het soort conflict waarvoor je de krijgsmacht kunt inzetten. En dat eenvoudigweg omdat we niet weten welke conflicten de belangen van Nederland zullen schaden, of waar de belangen van Nederland gediend worden.

De dreiging is breed, zoals ik al eerder zei, en als krijgsmacht moeten we overal op voorbereid zijn. Daarnaast doe ik geen concessies aan kwaliteit. Ik stuur mensen naar crisisgebieden. En ik accepteer niet dat hun leven gevaar loopt, omdat wij hebben beknibbeld op training, materieel en middelen.

Wat we doen, moeten we goed kunnen doen. Dat betekent uiteindelijk dat de krijgsmacht nog maar één grote missie kan uitvoeren op zee, op land en in de lucht – naast onze wettelijke taken.

Als Nederlandse samenleving betalen we straks slechts één procent, van wat we allemaal verdienen, aan Defensie. Eén procent wordt uitgegeven aan de veiligheidspolis van ons land. Tegen de beeldvorming dat wij zo duur zijn heb ik me altijd verzet. Veiligheid en vrijheid zijn niet gratis. Dat mogen we niet vergeten.

(ministerie van Defensie , 16 oktober 2013)  

‘Behandel kandidaat-leraar als toekomstige marinier: selectie, selectie, selectie ‘

5 Okt
OPINIE – Bouke S. Nagel − 04/10/13, 20:00
© anp. Manschappen marcheren op de Van Ghentkazerne. Het kabinet maakte op Prinsjesdag bekend dat de kazerne moet sluiten.

opinie Wil je een keurkorps van leraren oprichten, neem dan een voorbeeld aan de krijgsmacht, stelt Bouke S. Nagel. ‘Daar wordt naast het diploma ook gekeken naar de motivatie van kandidaat en of een individu geestelijk en lichamelijk opgewassen is tegen de belasting van het vak.

  • © anp.
  • Zonder selectie aan de poort is het te verwachten dat mensen gedemotiveerd zijn en snel opgebrand raken.

Van de week heb ik met veel interesse, respect en bewondering gekeken naar het programma Tegenlicht over de inspanningen die onderwijzer en directeur Eric van ’t Zelfde samen met zijn team aan de dag leggen om excellent onderwijs te organiseren. En dat in een plaats waar kinderen de minste kansen blijken te hebben van heel West-Europa: Rotterdam. Ik kan me dan ook vinden in het voorstel van de heer van ’t Zelfde in de Volkskrant een dag na de uitzending van de VPRO.

Een keurkorps
Wie echter een keurkorps van leraren wil oprichten, dient een voorbeeld te nemen aan andere klassieke instituties, zoals de krijgsmacht. Jaarlijks melden talloze mensen zich aan om marinier, commando of jachtvlieger te worden. Van de duizenden die zich melden bij de keurkorpsen van de krijgsmacht blijven er maar enkelen over die als uitverkorenen worden toegelaten tot eenheden met rijke tradities en een korpsgeest.

De krijgsmacht selecteert op drie niveaus: hoofd, hart en buik. Een persoon moet ten eerste in staat zijn om de uitdagingen die het werk met zich meebrengt te begrijpen. Dat vereist een diploma. Ten tweede kijkt de krijgsmacht of een toekomstige professional een hart heeft voor het beroep en de motivatie kan opbrengen om een moeilijke opdracht tot een goed einde te brengen. Tot slot kijkt de krijgsmacht of een individu geestelijk en lichamelijk opgewassen is tegen de belasting van het vak.

Maar de krijgsmacht vormt een uitzondering. Want binnen de andere klassieke instituties van ons land is selectie aan de poort eerder uitzondering dan regel. In principe doet alleen het hoofd ertoe in de vorm van een diploma. Men kijkt niet naar de motivatie van een kandidaat-leraar en gaat achteloos voorbij aan de lichamelijke- en geestelijke belastbaarheid. Als de krijgsmacht eenzelfde selectie zou toepassen als het onderwijs, dan was 90 procent van de soldaten in Uruzgan gesneuveld.

Verziekte sfeer
De cijfers liegen er immers niet om. De heer van ’t Zelfde noemt een percentage van 70 procent als het gaat om jonge docenten die na vijf jaar het vak achter zich laten. En dan hebben we het nog niet eens over de hoge ziekteverzuimcijfers binnen het onderwijs. Zonder selectie aan de poort is het dus te verwachten dat mensen gedemotiveerd zijn en snel opgebrand raken. Ondertussen hebben leraren bij monde van stichting Beter Onderwijs Nederland zelf aandacht gevraagd voor hun situatie.

Veel mensen vinden het namelijk niet meer leuk om in het onderwijs te werken. De sfeer is verziekt en wie niet uitgebrand thuiszit, ervaart een te hoge werkdruk. Terwijl de weekbladen in de afgelopen jaren een hoogdravende discussie over beroepseer hebben gevoerd, gaat men voorbij aan de simpele vraag of het onderwijs überhaupt de juiste mensen binnenhaalt. En dat probleem los je niet op met een salarisverhoging.

Vooral het tijdstip waarop de discussie in Nederland is losgebarsten vind ik opvallend. Want kort na de eeuwwisseling begint het te rommelen binnen het onderwijs. Amper twintig jaar na de laatste grote crisis geeft een flink deel van het lerarenkorps te kennen er geen zin meer in te hebben. En dat lijkt me geen toeval omdat de docenten die klagen behoren tot het cohort van het lerarenkorps dat het onderwijs is ingestroomd tijdens de jaren tachtig toen er massawerkloosheid heerste.

Een klassiek recept
Opmerkelijk is verder dat men in Nederland met grote ogen naar het ‘onderwijswonder’ in Finland kijkt. Want de Finnen doen precies hetzelfde als het Korps Mariniers. Selectie, selectie en selectie. En vervolgens training, training en nog eens training. Zo breng je mensen bij elkaar die gemotiveerd zijn, hun vak verstaan, tegen een stootje kunnen, trots zijn op hun beroepsgroep en maatschappelijke waardering oogsten. Het kan dus niet alleen anders in Nederland, maar het moét ook anders.

Klassieke professies heten namelijk niet voor niets zo. De krijgsmacht, het onderwijs, de kerk en de gezondheidszorg dienen hoge eisen stellen aan kandidaten omdat professionals die niet goed functioneren in staat zijn om talloze levens te verwoesten. Een slechte leraar trekt immers een desastreus spoor in de levensloop van een individu. Ik ben het dus eens met de oproep van de heer van ’t Zelfde om in Nederland de opzet van het lerarenkorps grondig te verbeteren.

Bouke S. Nagel is bedrijfskundige.

 

%d bloggers liken dit: